When I was in Ghana…

When I was in Ghana…



Een persoonlijke getuigenis van Marijke Taragola,

coördinator Azis




De Verwijzing

Het OCMW van Gent contacteert ons in verband met een cliënt die reeds drie jaar lang onder hun hoede is. Het gaat om een Ghanese vrouw. Ze verblijft 15 jaar in België, is ondertussen gescheiden van haar Belgische echtgenoot en spreekt geen woord Nederlands. Contact leggen met de vrouw is nochtans geen probleem. Ze laat iedereen toe en komt regelmatig naar het OCMW. 

Het probleem is echter dat de vrouw bizar gedrag vertoont. Ze vertelt over psychotische belevingen, zonder dat het mogelijk is daarover iets in vraag te stellen. Ze kan het enkel meedelen. Ze wordt overspoeld door de prikkels rondom haar en hoort op straat haar naam fluisteren. Ze verdenkt de Afrikaanse mannen op straat ervan haar in de prostitutie te willen dwingen.

Niet alleen zit de vrouw in een psychiatrische crisis, ook op andere vlakken dreigt het mis te lopen. Na een lange dakloze periode heeft ze sinds enkele maanden een sociaal appartement toegewezen gekregen in een groot wooncomplex. Hoewel de bewoners daar heterogeen zijn op vlak van leeftijd, afkomst, sociale situatie… zijn er desondanks heel wat klachten over haar bizar gedrag.

Het Overleg

Bij Azis wordt er overleg gepleegd en de uitkomst is dat het voor de betrokkene geen probleem mag zijn dat ikzelf op huisbezoek zal gaan om zo contact met haar te hebben. Voor het eerste contact neem ik iemand van het bijstandsteam met me mee. Deze organisatie was tussenbeide gekomen toen er klachten waren van de bewoners uit haar buurt. Het bijstandsteam grijpt in als er crisissituaties zijn rond overlast enz. maar biedt geen specifieke hulp in het gebied van de geestelijke gezondheidszorg. Want het was duidelijk geworden, uit het overleg met alle betrokken diensten, dat ons uiteindelijke doel is te investeren in contact en zorg op vlak van geestelijke gezondheidszorg, eventueel met medicamenteuze ondersteuning. Dit met de bedoeling de situatie voor onze nieuwe cliënte aangenamer en meer leefbaar te maken en de acute noodhulp te kunnen terugschroeven. We denken er in de verste verte niet aan om haar te laten opnemen.

Het is mijn eerste cliënt vanuit Azis. Ze is mij onbekend vanuit mijn werk in het psychiatrisch ziekenhuis.

Het Contact

We worden probleemloos door de cliënte binnengelaten. Ze is aan het drinken maar het is onmogelijk op te maken of ze zwaar onder invloed is. 

Ik ben amper binnen en ze ondervraagt me direct. “Wie ben je? Ben je getrouwd? Waar woon je? Ben je getrouwd met een zwarte man?” Deze vragen zullen in de toekomst elke week gesteld worden, telkens met een agressieve ondertoon die me benauwd. Alsof ik in mijn stoel geplakt zit. Na enkele bezoeken weet ik dat het eigenlijk omgekeerd is, dat zij heel angstig is voor mijn verschijning. Ze spreekt dan over de stemmen in haar hoofd die haar zeggen dat bepaalde mensen haar willen terugbrengen naar Ghana. Dat er een risico is dat ik een gezant ben, gestuurd door de koning van Ghana die haar wil controleren en terug naar haar moederland halen. Dit ontken ik altijd ten stelligste met veel woorden. Ik blijf constant herhalen, “nee, ik ben Marijke, ik ben maatschappelijk werker en neen, ik ben niet getrouwd met een zwarte man en ik heb evenmin zwarte kinderen”.

In de daaropvolgende maanden vertrouwt ze me steeds meer toe over de stemmen die ze hoort en wat die stemmen haar opdragen te doen. Ik heb haar al verschillende malen voorgesteld om eens naar buiten te gaan en daar iets te ondernemen in plaats van binnen te blijven zitten. Ze weigert altijd. 

De cliënte heeft een leefloon en dat is voor haar op financieel vlak uiteraard niet gemakkelijk. Ik stel haar de mogelijkheid voor om wekelijks voedselpakketten af te halen. Het bedeelcentrum is niet zover van haar woonst. Ze gaat ernaar toe en merkt dat ze moet wachten. Het kan daar even duren, en dat is teveel voor haar. Ze keert terug naar huis. Zonder voedsel.

Bij een volgend contact stel ik voor om samen de voedselpakketten te gaan ophalen. Dat ziet ze niet zitten, ook al vergezel ik haar. Iedereen zal immers naar haar blijven staren en over haar fluisteren…

Omdat haar financiële situatie zodanig penibel is en de voedselpakketten daarom onmisbaar zijn, stel ik voor dat ik ze ophaal. Zo komt het dat ik de dag nadien in de wachtzaal zit van de sociale dienst. Het is hartje winter en behoorlijk koud. Tijdens het wachten krijgen we uiensoep aangeboden. Na het gesprek met de sociale dienst komen we overeen dat ik het wekelijkse pakket ophaal en niet meer hoef te wachten en direct naar binnen kan. (Later trek ik mijn stoute schoenen aan en tracht te bekomen dat mijn cliënte het wachten eveneens bespaard wordt en onmiddellijk naar binnen kan, wat me lukt.) Zo gebeurt het dat ik wekelijks met een grote zak op de rug naar mijn cliënte wandel, die altijd heel benieuwd is wat ik allemaal heb meegenomen… Na een tijdje geeft ze me mee wat ze graag heeft en wat ze liever niet wil.

De fase van het enkel contact kunnen nemen en aanwezig te zijn lijkt over te gaan in de fase dat ze me praktische zaken begint te vragen. Dingen die ik voor haar kan doen.

Het Verdere Verloop

Waarom ik dit verhaal ‘When I was in Ghana…’ noem? Bij ieder huisbezoek kan ik een korte tijd praktische zaken bespreken en regelen, tot de cliënte overstapt op haar standaard openingszin “When I was in Ghana…”. Dan volgt een heel verhaal over haar belevenissen, en die zijn heus niet enkel psychotisch. Het blijkt dat de cliënte zwaar getraumatiseerd is door de toestanden die ze in Ghana heeft gezien en beleefd. Ze draagt de sporen ervan op haar lichaam…

Op haast alle tweewekelijkse overleggen op Azis komt de cliënte ter sprake. Bij momenten vraag ik me af wat voor zin het heeft, wat ik er nu eigenlijk doe. Ik ben er nog altijd niet in geslaagd het leven van de cliënte meer comfortabel te maken. Maar vanuit het overleg op Azis word ik gestimuleerd om verder te doen op de manier waarop ik bezig ben. 

Af en toe slaag ik er in met haar naar buiten te gaan. Op een gegeven moment vraagt ze me zelfs om haar naar de bank te vergezellen. Er is een probleem daar en ze vraagt me haar te helpen dit op te lossen. Op straat valt het me op dat ze extreem angstig is. Iedereen die ons passeert is een bedreiging voor haar. In het bijzonder ‘black people’, wat niet verwonderlijk is als je de situatie in haar geboorteland kent en de dingen die ze daar heeft meegemaakt. In ieder geval is het haar onmogelijk naar buiten te trekken zonder eerst een flinke borrel achterover te slaan. 

Een opname 

Na een van onze uitstappen heb ik een goed gevoel. Ze gaat die dag zelfs even naar een Afrikaanse winkel. Het lijkt alsof we de hele tijd hebben gesproken over zaken die zich in de realiteit bevinden. En dat de waan een beetje verdoezeld is. 

Dat verdoezelen wordt me na het weekend pijnlijk duidelijk. Ik was teveel gefocust op de concrete situatie en wou onze gesprekken in de realiteit houden. Ik hield te weinig rekening hoe de cliënte de situatie beleefde. In het weekend hadden de stemmen haar opgedragen zich te verwonden met glas. Nadat ze zich had gesneden, het bloed zag en de pijn voelde, is ze in paniek het huis uit gerend.

Op maandag gaan haar buren naar de opbouwwerker, die me vraagt of ik weet waar de cliënte is. Na wat heen-en-weer-gebel is het me al snel duidelijk dat de cliënte in het ziekenhuis is. Een geluk dat ze die reflex had, want daar werd ze verzorgd en opgenomen. 

Toen ik hoorde dat ik ze bloedend was weggelopen, dacht ik dat er een derde persoon in het spel was. Dat ze zichzelf verwondde weet ik pas als ik haar in het ziekenhuis opzoek. Bij het aanhoren van haar relaas weet ik dat er wel degelijk een derde persoon aanwezig was – de stem in haar hoofd van de zwarte man. 

Na overleg met enkele collega’s vatten we het idee op om mijn uurrooster zodanig aan te passen dat het dagelijkse bezoek aan mijn cliënte prioritair wordt. Ik krijg haar sleutel mee om wat kledij op te halen en samen met het OCMW bekijken we de situatie thuis om een kuisploeg te laten komen. Haar huis is immers bezaaid met glas. In het ziekenhuis houden we vol dat ze in die omstandigheden niet terug naar huis kan keren. 

Het loopt niet altijd van een leien dakje om haar daar te houden. Op sommige dagen staat ze, bepakt en gezakt, klaar om te vertrekken. Het ziekenhuispersoneel neemt die wisselingen in haar houding niet altijd in dank af. Zeker niet als ze de nodige decibels produceert.

De psychiater van het project contacteert de psychiater van het AZ. Het Psychiatrisch Centrum dat deel uitmaakt van het project stelt een bed ter beschikking. De cliënte en ik worden afgehaald in het ziekenhuis en vanaf dan lukt het om haar een paar dagen in opname te laten gaan. 

Wat ik vooral voor haar doe, is nabij zijn, er elke dag zijn, een telefoonnummer geven waarmee ze me altijd kan bereiken als ze iemand wil spreken en verse kledij meenemen. Geen hoogstaande therapeutische gesprekken. Eerder simpelweg er zijn en praktische zaken regelen. Ik weet haar te overtuigen dat ze niet naar huis kan voordat haar woning is opgeruimd en ze stemt toe in een opname in het ziekenhuis om te herstellen van haar verwondingen. Zelf spreekt ze over de operatie die ze heeft ondergaan.

De Volgende Stap

Die opname verloopt problematisch. Mede door het wegvallen van het drankmisbruik vieren haar psychoses hoogtij. Ze vertrouwt niemand, maar toch klampt ze iedereen in de omgeving aan om haar psychotisch relaas te brengen. Vanaf dag één hebben we haar medicatie aangeboden en hebben we haar uitgelegd wat dat inhoudt. Uiteindelijk stemt ze in medicatie te nemen, met het vooruitzicht terug naar huis te kunnen keren. We zijn er in geslaagd de koppeling te maken tussen het kerven en de vermindering (of het leven met) de stemmen.

Samen op weg naar haar huis is ze opgelucht en vastberaden nooit meer naar het ziekenhuis terug te keren. Ze vraagt me nog vaak hoe het met de mensen daar gaat. 

Kort daarna is ze voor mij haast onherkenbaar geworden. Ze praat een vol uur over hoe ze het leven ervaart en waar ze het moeilijk mee heeft. Ook over alle dingen die gebeurd zijn in Ghana, maar deze keer zonder angst en zonder dat ze die angst projecteert op mij. 

Sinds ze medicatie neemt, gaan we samen om de drie weken naar het wijkgezondheidscentrum. Ze kan zelfstandig bepaalde zaken ondernemen en het leven is voor haar aangenamer geworden. Ze kan de koppeling maken dat wat ze nu doet – gaan winkelen, een cursus volgen… zonder de medicatie niet mogelijk is. Voorheen had ze geen geduld en vertrouwde ze niemand die haar pad kruiste. Kort na de inspuiting is ze zelf naar de voedselbedeling beginnen gaan.

Het blijft soms koorddansen. De medicatie heeft soms bijwerkingen: ze is bijgekomen en is vlugger moe. Soms wil ze het opgeven en denkt ze dat het zo ook wel zal lukken, maar tot nu toe hebben de dokters van het wijkgezondheidscentrum haar kunnen overtuigen de medicatie te blijven nemen. Vorige week is ze ook gestart met een cursus Nederlands.

Besluit

Ik ontmoette de cliënte voor het eerst in september. Ik geloof dat, omdat we aanklampende zorg boden en als hulpverlener het contact centraal stelde, we erin geslaagd zijn efficiënte zorg aan te bieden. Door overleg zijn we er ook in geslaagd de diverse diensten op elkaar te laten aansluiten vb.: medicatie via het WGC – zonder dat de wachtlijst moet doorlopen worden

Ik ben van opleiding maatschappelijk werker. Ik herinner me levendig dat één van de vakken gericht was op veranderingsprocessen en dat als eens het doel bereikt was, we het resultaat moesten verankeren. En dan was de case afgerond en konden we naar de volgende. 

Doorheen de jaren is me duidelijk geworden dat men de veranderingsprocessen en verankeringen niet in tijdsvakken kan gieten en dat men moet aanvaarden dat men vaak terug in de aanvankelijke toestand belandt. Als hulpverlener moeten we deze mensen zo laagdrempelig mogelijk proberen te bereiken en het vasthouden van het contact centraal stellen, in welke fase van het proces ze zich ook bevinden.

AZiS  ® copyright 2007